NIEUWS

Waarom mag V&D het loon van haar personeel niet eenzijdig verlagen?

+ 23.02.2015 | Author: Huibert-Jan van Roest

Vandaag deed de kantonrechter uitspraak in het kort geding dat door de CNV en FNV was aangespannen tegen V&D, naar aanleiding van de door V&D aan haar personeel opgelegde loonsverlaging. CNV vorderde voor haar eigen leden ongewijzigde voortzetting van de arbeidsvoorwaarden. De vordering van FNV ging verder: een volledig verbod voor V&D om de lonen van haar werknemers éénzijdig te verlagen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de door V&D opgelegde loonsverlaging niet terecht is.

De afgelopen tijd is volop in het nieuws dat het slecht gaat met V&D. Om het tij te keren heeft V&D aangekondigd de lonen van haar personeel met 5,8% te willen verlagen, en zij heeft deze loonsverlaging ook daadwerkelijk doorgevoerd. Voor een verlaging van het salaris – of iedere andere aanpassing van een arbeidsovereenkomst – is normaal gesproken overeenstemming met de werknemer nodig, maar in dit geval baseerde V&D zich op het zogeheten éénzijdig wijzigingsbeding. Dat is vrij ongebruikelijk, niet in de laatste plaats omdat dergelijke éénzijdig opgelegde loonsverlagingen in de regel geen stand houden in de rechtszaal.

V&D heeft in deze zaak gesteld dat haar situatie uitzonderlijk was, omdat zij het hoofd niet meer boven water kan houden vanwege hoge loon- en huurkosten, maar dat heeft haar niet mogen baten. Ook in deze uitspraak is de éénzijdige wijziging door de rechter afgekeurd. De eerste stap die de kantonrechter in zijn uitspraak heeft genomen, is dat het wijzigingsbeding niet duidelijk bepaalt of ook arbeidsvoorwaarden die voortvloeien uit een CAO mogen worden gewijzigd. De kantonrechter oordeelt dat daarmee niet is voldaan aan art. 7:613 BW, waarin is bepaald dat een eenzijdig wijzigingsbeding schriftelijk moet zijn vastgelegd. Volgens de kantonrechter vloeit daaruit voort dat een eenzijdig wijzigingsbeding ook duidelijk moet maken wélke bepalingen of regelingen eenzijdig gewijzigd kunnen worden. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat bij gebreke aan een voldoende duidelijk wijzigingsbeding, de werknemer in beginsel niet gehouden is om voorstellen tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden.

In haar uitspraak verwijst de kantonrechter ook naar een bekende uitspraak van de Hoge Raad in de zaak “Stoof – Mammoet”. In die zaak is uitgemaakt onder welke omstandigheden de werkgever de arbeidsvoorwaarden mag wijzigen wanneer er wél een wijzigingsbeding is. De Hoge Raad bepaalde dat de werkgever daar slechts een beroep op kan doen “indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.” In de onderhavige zaak vindt de kantonrechter dat dat niet het geval is. Daarbij wijst zij er onder meer op dat V&D (samen met bedrijven waarmee zij een concern vormde), relatief recent voor 1,3 miljard euro aan onroerend goed heeft verkocht. De kantonrechter oordeelt “Indien deze panden niet zouden zijn verkocht, of wanneer de destijds verkregen verkoopprijs voor een deel ten goede zou komen aan de thans in rekening gebrachte huurkosten, dan zou in mindere mate de noodzaak hebben bestaan een ingrijpende reductie in het huur- en loonkostenniveau aan te brengen dan thans het geval is”. Ik verwacht overigens niet dat de kantonrechter anders had geoordeeld wanneer het onroerend goed niet verkocht zou zijn geweest.

De uitspraak van de voorzieningenrechter geldt alleen voor leden van de bonden. FNV had een verbod ten opzichte van alle werknemers gevorderd, maar zij heeft volgens de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat haar vordering gedragen wordt door (een duidelijke meerderheid van) de niet-leden. De uitspraak is naar mijn mening in lijn met de jurisprudentie op dit gebied. Heeft u vragen op het gebied van arbeidsrecht, of wilt u eens laten nakijken of uw éénzijdig wijzigingsbeding duidelijk genoeg is geformuleerd, neem dan contact op met Huibert-Jan van Roest